Wat niemand mag weten

Al sinds jaar en dag staan mijn zondagen prominent in het teken van mijn maandag-column voor Metro. Het ritueel is altijd eender. Met koffie in de aanslag verdiep ik me zondagmorgen nog ‘even’ in de laatste nieuwtjes. Met (kranten) of zonder (internet) schaar. Verder maakt ook Twitter vast onderdeel uit van mijn column warming-up. Nadat ik heb gecheckt of mijn collega-columnisten het gras niet voor mijn voeten hebben weggemaaid, duik ik – in Twitterjargon – mijn schrijfcocon in.

Mijn zweethok (schrijfkamer) laat zich het best omschrijven als een dependance van Bart Smit. Vissen met trillende puilogen, vogels die spontaan gaan fluiten zodra mijn bureaublad – te hard – wordt aangeraakt en meer speelgoed met volstrekt eigen willetjes… Een inval in mijn domein zou me op levenslang dwangbuis komen te staan. Vertel het dus NIET door.

Ook mijn vaste gewoonte om pas te gaan schrijven als ik drie pijltjes in de 20 of 19 van mijn dartbord heb gegooid, zie ik liever niet uitlekken. Ik schaam me ervoor dat ik – ondanks zes dartpijltjes – vaak pas laat in de middag aan mijn column kan beginnen. Naar buiten toe blijf ik graag de uitblinker uithangen. Gun me die illusie.

Reacties zijn gesloten.